Jouw talent is er thuis.
Ludger College › Voor leerlingen › Overige › Leerlingenstatuut

Leerlingenstatuut 2016

 
LEERLINGENSTATUUT
Ludger College
Publicatie: februari 2016
 
 
INHOUD
 
A    Algemeen
  A 1     Betekenis
  A 2     Begrippen
  A 3     Procedure
  A 4     Wijzigingen
  A 5     Toepassing
  A 6     Publicatie
 
B     Onderwijs
  B 7      Het geven en volgen van onderwijs
  B 8      Onderwijstoetsing
  B 9      Werkstukken, Handelingsdelen en Praktische Opdrachten
  B 10    Rapporten en SE-cijferlijsten
  B 11    Bevorderen
  B 12    Huiswerk (incl. opdrachten voor de Z-uren)
  B 13    Vrijheid van meningsuiting en kleding
 
C    Communicatie
  C 14    Schoolkrant
  C 15    Mededelingenborden en Monitoren
  C 16    Vergaderingen
  C 17    Leerlingenraad, resp. de BOB en de BOL
  C 18    Leerlingenregister en privacybescherming
  C 19    Orde
  C 20    Garderobe en kluisjes
  C 21    Aanwezigheid
  C 22    Afwezigheid / Te laat komen
 
D    Handhaving van de regels / Straffen
  D 23    Bevoegdheden
  D 24    Straffen
 
E    Klachtenregeling
  E 25    Klachten t.a.v. de uitvoering van dit statuut
  E 26    Algemene Klachtenregeling
 
F    Veiligheid en gezondheid
  F 27     Veiligheid en gezondheid
 
G    Slotbepalingen
  G 28    Slotbepalingen
 
A    Algemeen
 
 
 
A 1 Betekenis
 
Het leerlingenstatuut legt de rechten en plichten van de leerlingen schriftelijk vast.
 
 
A 2 Begrippen
 
2.1  Alle persoonsaanduidingen in dit statuut hebben betrekking op zowel mannen als vrouwen. Voor de overzichtelijkheid van de tekst is, waar nodig, steeds in taalkundig opzicht de mannelijke vorm gekozen.
2.2  In dit statuut wordt bedoeld met:
- leerlingen: alle leerlingen die op de school staan ingeschreven
- ouders: ouders, voogden, feitelijke verzorgers
- docenten: personeelsleden met een onderwijstaak
- mentor: docent, aangewezen om een klas gedurende het schooljaar te begeleiden
- afdelingsleider: coördineert alle leerlingzaken van een leerjaar
- directie: de rector samen met de conrectoren
- schoolbestuur: Stichting Achterhoek VO
- leerlingenraad: de BOB (Belangenorganisatie Brugklassers) en de BOL (Belangenorganisatie Leerlingen)
- leerlingenpanel: een vertegenwoordigend orgaan van de leerlingen dat regelmatig met de afdelingsleider vergadert over de kwaliteit van het onderwijs en de begeleiding.
- PTA: Programma van Toetsing en Afsluiting. Daarin zijn alle onderdelen opgenomen die meetellen voor het eindexamen. Dit zijn toetsen, praktische opdrachten en handelingsdelen.
- Schoolexamen (SE): toetsen in de bovenbouw die aangemerkt worden als onderdeel van het examen. De school maakt deze toetsen zelf en ze zijn als SE opgenomen in het PTA. Het gemiddelde van deze toetsen en praktische opdrachten telt mee voor 50% van het eindcijfer bij een vak.
- Centraal Examen (CE): het landelijke examen in mei. Het behaalde cijfer telt mee voor 50% van het eindcijfer.
- toets: onder een toets kan worden verstaan een examentoets (telt mee voor het Schoolexamen en voor de overgang), of een proefwerk (telt alleen mee voor de overgang).
- proefwerk: een toets over een gro(o)t(er) deel van de leerstof, die minstens één week tevoren wordt opgegeven.
- schriftelijke overhoring: een toets over een klein(er) deel van de leerstof.
- werkstuk:  een grotere schriftelijke opdracht die een leerling, resp. een groep leerlingen, voor een bepaald vak dient in te leveren, en gedeeltelijk buiten de les(sen) gemaakt wordt.
- sectorwerkstuk (4M) en profielwerkstuk (5H en 6V): een onderdeel van het schoolexamen in het examenjaar.
handelingsdeel: een onderdeel van het schoolexamen dat door de kandidaat met de kwalificatie ‘naar behoren’ resp. ‘voldoende’ of ‘goed’  moet worden afgesloten om bevorderd te kunnen worden en/of deel te kunnen nemen aan het Centraal Examen.
- praktische opdracht: dient om te toetsen of leerlingen kennis en vaardigheden kunnen toepassen; wordt als toetsing expliciet onderscheiden in de examenprogramma’s en maakt deel uit van het SE.
- deelraad medezeggenschapsraad (deelraad MR): het vertegenwoordigend orgaan van de gehele school, bedoeld in de Wet Medezeggenschap Onderwijs.
- inspectie: de inspecteur van de school, namens het ministerie belast met het toe­zicht.
- OOP (Onderwijs Ondersteunend Personeel): administratief-technische medewerkers, en overige personeelsleden met een andere taak dan onderwijs geven
- geleding: de geleding ouders/leerlingen en de geleding docenten/OOP
- iedereen: alle leerlingen, docenten, afdelingsleiders, directie, schoolbestuur, OOP en ouders
 
 
A 3 Procedure
Namens het bestuur stelt de rector het leerlingenstatuut vast, na instemming van de deelraad MR.
 
A 4 Wijzigingen
 
Voor wijzigingen geldt artikel A.3. van dit statuut.
 
 
A 5 Toepassing
 
Het leerlingenstatuut is bindend voor iedereen. De directie is verantwoordelijk voor de correcte uitvoering.
 
 
A 6 Publicatie
 
6.1  Het leerlingenstatuut wordt ieder jaar bij de aanvang van het schooljaar digitaal toegankelijk voor alle leerlingen via it’s learning en voor de ouders toegankelijk via de website.
6.2  Geldigheidsduur: de directie draagt er zorg voor, eventueel op advies van de geleding ouders, leerlingen, docenten of OOP, dat de tekst van het leerlingenstatuut tijdig aan de actualiteit wordt aangepast. Dit gebeurt tenminste éénmaal per drie jaar.
Indien geen wijzigingen zijn voorgesteld en aangebracht, blijft het oude leerlingenstatuut van kracht.
 
 
 
B    Onderwijs
 
B 7 Het geven en volgen van onderwijs
 
7.1  Leerlingen hebben recht op goed onderwijs. Directie, docenten, het OOP en leerlingen leveren op basis van respectvolle samenwerking ieder hun bijdrage hieraan.
7.2  Een leerling die de goede voortgang van de les verstoort, kan door de docent de les worden uitgestuurd.
De leerling meldt zich vervolgens zo spoedig mogelijk bij zijn afdelingsleider, of (indien deze afwezig is) bij een andere afdelingsleider, of bij een lid van de directie.
7.3  Het gebruik van mobiele telefoons tijdens de lessen is niet toegestaan. Voordat een leerling in de klas komt, zet hij de mobiele telefoon uit. Indien de telefoon toch in werking blijkt tijdens de les, kan de docent de mobiele telefoon tijdelijk (voor de rest van de betreffende dag) aan de afdelingsleider in bewaring geven. Ook het gebruik van geluids- en/of beelddragers, zoals mp3-spelers en dergelijke, is in de lessen niet toegestaan.
7.4  Het maken van filmopnamen en geluidsopnamen van docenten en leerlingen is niet toegestaan. Het overtreden van deze regel kan tot schorsing leiden.
7.5  Als een docent naar het oordeel van een leerling of een groep leerlingen zijn taak niet op een behoorlijke wijze vervult, dan kan dat door de leerling(en) via de gebruikelijke weg (zie artikel 25.2 van dit statuut) aan de orde worden gesteld bij de directie, zo mogelijk na contact met de betrokken docent.
De anonimiteit van de betrokkenen wordt tegenover niet-betrokkenen gewaarborgd.
De directie reageert binnen 10 schooldagen.
 
 
B 8 Onderwijstoetsing
 
8.1  De leerlingen hebben recht op regelmatige toetsingen en hebben de plicht om daaraan deel te nemen.
8.2  Leerlingen moeten in de regel van tevoren weten, hoe zwaar een toets meetelt voor het rapport, resp. het SE.
8.3  Een toets wordt tenminste één week van tevoren opgegeven.
8.4  Een toets mag alleen stof bevatten die van tevoren is afgerond. Een toets dient een goede afspiegeling te zijn van de leerstof.
8.5  De vorm van de toets moet tevoren duidelijk zijn. (bijv: stelvragen, multiple-choice-vragen, sommen etc.).
8.6  De leerling heeft er recht op dat elke toets uiterlijk binnen 10 schooldagen is gecorrigeerd en is ingevoerd in Magister. Bij toetsen in het kader van het SE mag deze termijn twee dagen langer duren.
Voor toetsen in de vorm van een werkstuk mag deze termijn overschreden worden. In dat geval geeft de docent een termijn aan.
8.7  De leerling heeft er recht op dat een toets wordt nabe­sproken.
8.8  Een volgende toets kan niet worden gegeven, voordat de vorige toets is besproken, tenzij de stof geheel anders is.
8.9  De regel is dat leerlingen hun werk terugkrijgen. In bepaalde gevallen kan om onderwijskundige redenen van deze regel worden afgeweken.
N.B. Voor Centraal Examenwerken en Examentoetsen gelden i.v.m. wettelijke voorschriften beperkingen t.a.v. teruggave aan de leerlingen. Zie hiervoor ook het Examenreglement.  
8.10     Een leerling heeft recht op inzage in zijn toetsopgaven bij de toetsbespreking.
8.11     De normen van de beoordeling worden door de docent meegedeeld en zo nodig toegelicht.
8.12     Een leerling die het niet eens is met de beoordeling van een toets, tekent eerst bezwaar aan bij de docent, en daarna eventueel bij de afdelingsleider.
8.13     Frauderen bij toetsingen is verboden en wordt bestraft. Tijdens toetsen mogen leerlingen géén apparatuur meenemen in de toetsruimte waarmee gefraudeerd kán worden (bijv. mobiele telefoon, grafische rekenmachine). Aanwezigheid daarvan in de toetsruimte wordt beschouwd als fraude en wordt bestraft. Bij schoolexamens kan dit zelfs uitsluiting van het examen tot gevolg hebben. De grafische rekenmachine mag alléén gebruikt worden wanneer dit aangegeven is op het opgavenblad van de toets.
 
8.14a
N.B. Dit onderdeel vervangt onderdeel 8.14 uit het leerlingenstatuut sept. 2015. Vanaf 14 maart 2016 wordt artikel 8.14a ingevoerd.
De maand februari is een overgangsperiode.
Omdat het aantal toetsmomenten per week in dit nieuwe artikel 8.14 minder is dan voorheen kan het ontstaan van problemen niet uitgesloten worden. In deze situatie vindt er overleg plaats met alle betrokkenen en de schoolleiding om tot een goede oplossing te komen.

Toetsing van onderwijs kan op de volgende manieren plaatsvinden:
1.    In leerjaarverband (alle leerlingen van een jaarlaag en afdeling op hetzelfde moment).
Toetsing in leerjaarverband vindt plaats in toetsweken en tijdens Centrale Toets Momenten (CTM).
2.    In klassenverband.
In de klas volgens het lesrooster. Deze toetsing kan plaatsvinden in alle schoolweken met uitzondering van de toetsvrije perioden en de toetsweken.
3.    Individuele toetsing.
Dit betreft spreekbeurten, mondelinge overhoringen, presentaties, lesverzorging, het aantonen van vaardigheden enz.
4.    Groepstoetsing.
Leerlingen maken met een groepje medeleerlingen binnen klassenverband een werkstuk en/of presentatie. Voor de geleverde prestatie krijgen ze een gezamenlijk  cijfer.
 
Toetsing in leerjaar- en klassenverband kan uit de volgende onderdelen bestaan:
a.    proefwerken: onder een proefwerk wordt verstaan een schriftelijk onderzoek naar de beheersing en kennis van een grotere, welomschreven hoeveelheid leerstof.
b.    schriftelijke overhoringen: onder een schriftelijke overhoring wordt verstaan een schriftelijke toets over aanmerkelijk minder leerstof dan een proefwerk. (In de sectie zijn afspraken vastgelegd wat er verstaan wordt onder een schriftelijke overhoring)
c. toetsen waarvoor geen voorbereiding van de leerling vereist wordt, bijv. luistertoets, toets tekstbegrip, practica (practica waarvoor geleerd moet worden vallen onder de definitie van een proefwerk of een schriftelijke overhoring), enz.     
d.  werkstukken, verslagen en praktische opdrachten.
 
Afspraken:
  1. Een proefwerk wordt tenminste een week voor de vastgestelde datum opgegeven evenals de te leren stof. De leerling moet in de les vóór het proefwerk de mogelijkheid hebben vragen te stellen.
  2. Een schriftelijke overhoring wordt uiterlijk de laatste les voor de overhoring aangekondigd.
  3. Proefwerken en schriftelijke overhoringen worden in de les aangekondigd en opgenomen in Magister en of it’s Learning.
  4. Buiten de toetsweken mogen per week maximaal acht toetsingen (volgens definitie a en b) plaatsvinden. Deze acht bestaan uit maximaal vier proefwerken en vier schriftelijke overhoringen (acht schriftelijke overhoringen mag dus ook).
Per dag mogen er maximaal twee proefwerken, een proefwerk en een schriftelijke overhoring of twee overhoringen afgenomen worden.
  1. Op de eerste dag na een vakantie van tenminste vijf schooldagen mag geen proefwerk worden afgenomen.
  2. Een tweede toets over bepaalde leerstof kan pas worden afgenomen op het moment dat de voorgaande toets over deze leerstof is nagekeken en besproken in de klas.
 
N.B.    Het individueel inhalen van proefwerken valt buiten deze regelgeving. Het is belangrijk dat de menselijke maat gehanteerd wordt.
 
8.15     Voor elke toetsweek is er een toetsloze periode van maximaal 5 schooldagen. Tijdens deze toetsloze periode mag  geen werk afgenomen worden waarvoor een cijfer wordt gegeven. Er mag wel diagnostisch getoetst worden. Het inleveren van een PO mag niet in de toetsloze periode plaats vinden.
Uitzonderingen:
- (in de bovenbouw) toetsen voor de vakken die niet in de toetsweek worden getoetst, maar door de organisatie in de toetsloze periode geplaatst zijn. Hierbij geldt een maximum van twee toetsen voor die toetsloze periode. Dat aantal is exclusief herhaald uitgestelde toetsen zoals omschreven bij punt  8.17.
- Luistertoetsen bij de moderne vreemde talen, waarvoor geen huiswerk gevraagd wordt, mogen wel in elke toetsloze week afgenomen worden.
- Bij muziek en beeldende vorming wordt een hele periode aan een opdracht gewerkt, dit werk mag becijferd worden in de toetsloze week. Ook voor deze twee vakken mag er in deze week geen voorbereiding gevraagd worden die thuis plaats moet vinden.
8.16     De leerling die een toets gemist heeft neemt in de eerstvolgende les contact op met de docent, maar uiterlijk binnen 5 schooldagen na terugkomst op school.
- Meldt de leerling zich op tijd en is hij door zijn ouders op de dag van de toetsing voor 10 uur afgemeld, dan leidt dit tot een afspraak om de toets in te halen, tenzij de docent met de leerling overeenkomt dat inhalen niet nodig is.
- Voor de laatste toetsweek aan het einde van het schooljaar geldt de volgende afspraak: de leerling (of namens deze: zijn ouders) die een toets gemist heeft neemt uiterlijk op de laatste dag van die toetsweek contact op met de docent om een afspraak te maken over het eventueel inhalen van de toets.
- Wordt niet of niet tijdig contact opgenomen of wordt de afspraak niet of niet tijdig nagekomen, dan kan voor het gemiste werk een 1.0 gegeven worden. De do­cent kan daarnaast andere maatregelen nemen en hij meldt de 1.0 bij de afdelingsleider.
- Voor de leerlingen van leerjaar vier en hoger geldt dat het missen van een toets zonder voorafgaande afwezigheidmelding automatisch leidt tot het cijfer 1.0. Betreft het een SE-toets dan kan deze worden ingehaald; bij gebruikmaking van die mogelijkheid vervalt het recht op herkansing van een toets.
- De leerling kan binnen 5 schooldagen na de door de docent genomen beslissing in beroep gaan bij de afdelingsleider.
8.17     Wanneer een toets vervalt door afwezigheid van de betrokken docent, verschuift die toets automatisch naar de volgende les. Wanneer een docent ook tijdens die les afwezig is, vervalt de eerder gemaakte afspraak en wordt een nieuwe afspraak gemaakt. Een op dergelijke wijze herhaald uitgestelde toets mag gegeven worden in de toetsloze periode en telt niet mee voor de genoemde maximum aantallen bij regel 8.14.
 
 
B 9 Werkstukken, Handelingsdelen en Praktische Opdrachten
 
9.1  Wanneer het maken van een Werkstuk, Handelingsdeel en/of een Praktische Opdracht (= W-H-PO) onderdeel is van het onderwijsprogramma en meetelt voor het rapportcijfer en/of het SE-cijfer, dan dient bij de opdracht duidelijk te zijn:
a. aan welke eisen het W-H-PO  moet voldoen;
b. wanneer het gereed moet zijn;
c. wat er gebeurt bij te laat inleveren resp. uitvoeren/afsluiten;
d.   voor welk rapport en/of SE-cijfer het meetelt en hoe zwaar.
9.2  Bij groepswerkstukken is het door de docent gegeven cijfer – voor elk groepslid hetzelfde dan wel verschillend - de weergave van een individuele beoordeling.
9.3  De leerling draagt er zorg voor dat zijn werkstuk of het deel dat daarvan klaar is, op de afgesproken datum wordt ingeleverd, ook als hijzelf niet aanwezig is.
- Wanneer een leerling het werk niet heeft ingeleverd op de afgesproken datum, spreekt de docent met de leerling een nieuwe datum af.
Nadat de leerling op die nieuwe datum het werk alsnog heeft ingeleverd, wordt het werk normaal beoordeeld en worden vervolgens twee punten op de score (het cijfer) in mindering gebracht.
De docent stelt de mentor daarvan op de hoogte.
- Heeft de leerling op deze tweede deadline nog niets ingeleverd, dan wordt dit door de docent gemeld bij de afdelingsleider. De leerling wordt niet toegelaten tot de lessen totdat het werk is ingeleverd. De afdelingsleider informeert de ouders en de mentor hierover.
- Leerlingen mogen een praktische opdracht die te laat wordt ingeleverd niet herkansen.
9.5  Wanneer leerlingen een handelingsdeel niet op tijd afsluiten, kunnen zij door de afdelingsleider verplicht worden dit handelingsdeel bij voorrang af te maken. Dat kan ten koste van het volgen van de lessen gaan.
9.6  Voor de bovenbouw van mavo, havo en vwo staat de gedetailleerde regeling t.a.v. W-H-PO in het examenreglement van 4M, 5H en 6V.
 
 
B 10    Rapporten en SE-cijferlijsten
 
10.1     De school informeert de ouders tijdig over de data waarop de rapporten en cijferlijsten door de mentor worden uitgereikt, en wel via:
- de website
- de contactbladen
- de ouderavonden voor de desbetreffende jaarlaag.
10.2     Rapporten leerjaar 1:
- De leerlingen krijgen drie keer per jaar een rapport uitgereikt.
- De eerste twee rapporten moeten door de ouders worden ondertekend en door de leerlingen worden ingeleverd bij hun mentor.
Na controle geeft de mentor de rapporten weer aan de leerlingen terug.
10.3     Rapporten leerjaar 2 en 3 en hogere klassen:
- De leerlingen krijgen drie keer per jaar en rapport uitgereikt.
Deze rapporten hoeven niet door de ouders te worden ondertekend.
10.4     SE-cijferlijsten leerjaar 4M, 4/5H en 4/5/6V:
Voor het ondertekenen van de SE-cijferlijsten geldt een aparte regeling. Deze wordt gepubliceerd in het Contactblad. Zie ook het examenreglement.
10.5     NB: Definitie Rapportcijfer en SE-cijfer:
In leerjaar 4 en hoger krijgen de leerlingen rapportcijfers en SE-cijfers.
Wat is het verschil?
Een rapportcijfer is het gemiddelde van alle cijfers die in de afgelopen periode(s) zijn behaald. Hiertoe kunnen SE-cijfers behoren, maar ook cijfers voor overhoringen, proefwerken, werkstukken, projecten, enz.
Bij de overgang bepalen de rapportcijfers op het laatste rapport of een leerling  bevorderd kan worden naar het volgende leerjaar.
Een SE-cijfer is het cijfer voor een schooltoets die meetelt voor het Schoolexamen. Nadat de leerling in de examenklas het Schoolexamen heeft afgesloten, mondt het gemiddelde van alle behaalde SE-cijfers voor dat vak uit in één SE-cijfer. Dit laatste SE-cijfer bepaalt voor de helft het eindcijfer per vak bij het examen. De andere helft wordt bepaald door het cijfer voor het Centraal Examen (CE-cijfer).
Sommige vakken hebben echter alleen een SE. Voor die vakken is het afgeronde SE-cijfer tevens het eindcijfer.
10.6     Een rapportcijfer is een jaarcijfer. De weging van de toetsen kan per periode verschillen; hierover dient van tevoren duidelijkheid te worden gegeven.
10.7     Een rapportcijfer dient te zijn vastgesteld op grond van een gemiddelde van meerdere cijfers. Elk vak geeft twee nieuwe toetsen per periode. Dit geldt voor alle jaarlagen, behalve het examenjaar. Alleen in overleg met en na toestemming van de directie kan een sectie hierop een uitzondering maken.
10.8     Op het eerste en tweede rapport worden cijfers tot één decimaal nauwkeurig vermeld. Op het derde rapport, het overgangsrapport, worden hele cijfers vermeld.
10.9     De leerlingen van leerjaar 1 en 2 krijgen bovendien op elk rapport een letterbeoordeling (G,V,T,O) voor de volgende aspecten van studievaardigheid:
- studiehouding in de les
- huiswerkverzorging
- studiehouding in de Z-uren.
10.10 De behaalde cijfers zijn tussentijds ook in te zien op Magister. De leerling en de ouders ontvangen hiervoor een toegangscode.
 
 
B 11    Bevorderen
 
11.1     De normen waaraan een leerling moet voldoen om bevorderd te kunnen worden naar een hoger leerjaar staan vermeld in het Contactblad van de school.
 
 
B 12    Huiswerk (incl. opdrachten voor de Z-uren)
 
12.1     Leerlingen zijn verplicht opgegeven huiswerk te maken, resp. te leren. De leerling die zijn huiswerk niet heeft gemaakt, resp. geleerd, heeft de plicht dit bij de aanvang van de les bij de docent te melden met opgave van de reden.
12.2     Docenten dienen (b.v. via het klassenboek) erop toe te zien dat leerlingen niet teveel huiswerk krijgen en dat er een redelijke spreiding over de week en het jaar ontstaat. Leerlingen moeten zelf ook voor een goede spreiding zorgen.
12.3     Als een klas vindt dat er onredelijk veel huiswerk is opgegeven voor een bepaalde dag, dan kan deze dat via de gebruikelijke weg (zie artikel 25.2 van dit statuut) aan de orde stellen.
 
 
B 13    Vrijheid van meningsuiting en kleding
 
13.1     Directie, docenten, het OOP en leerlingen gaan respectvol met elkaar om en respecteren elkaars mening.
13.2     Iedereen die zich door een ander in woord en/of geschrift, of via internet e.d. beledigd voelt, kan dit via de gebruikelijke weg (zie art. 25.2) aan de orde stellen. Zie verder de artikelen 25 en 26 van dit statuut.
13.3     De school kan alleen bepaalde kleding verplicht stellen, wanneer deze kleding aan bepaalde gebruiks- of veiligheidseisen moet voldoen. Dit omdat ook de school verantwoordelijk is voor hygiëne en veiligheid.
13.4     Verder dient de kleding van de leerlingen te voldoen aan de algemeen gangbare  normen van fatsoen, dit ter beoordeling van de directie.
13.5     Hoofddeksels zijn toegestaan mits ze communicatie niet in de weg staan, dit ter beoordeling van de docent.
 
 
 
C    Communicatie
 
 
C 14    Schoolkrant
 
14.1     De leerlingen hebben het recht een schoolkrant uit te brengen en de directie stelt daarvoor faciliteiten ter beschikking.
14.2     De schoolkrant is op de eerste plaats bestemd voor leerlingen, maar wordt ook uitgereikt aan andere personen die bij de school betrokken zijn.
14.3     Voor de schoolkrant is een apart redactiereglement vastgesteld, in overleg met de directie.
14.4     De directie stelt een docent aan als begeleider van de redactie.
 
 
C 15    Mededelingenborden en monitoren
 
15.1     Er zijn in school mededelingenborden waarop de Leerlingenraad, en andere leerlingen   zonder toestemming vooraf mededelingen van niet-commerciële aard kunnen ophangen, indien niet anoniem, niet beledigend of anderszins schadelijk voor de school.
15.2     In het schoolgebouw hangen op diverse plaatsen monitoren, waarop de directie o.a. roostermededelingen voor leerlingen/klassen publiceert.
Ook leerlingen kunnen, na overleg met de directie, hierop mededelingen plaatsen.
 
 
C 16    Vergaderingen
 
16.1     De vrijheid van vergadering wordt door iedereen gerespecteerd.
16.2     Vergaderingen van leerlingen worden in overleg met de directie gepland. De Leerlingenraad heeft het recht om in school besloten vergaderingen te beleggen.
16.3     De Leerlingenraad heeft er recht op dat de directie voor een vergadering van leerlingen een ruimte beschikbaar stelt; een en ander binnen de mogelijkheden en afspraken op school.
 
 
 
C 17    Leerlingenraad, resp. de BOB en de BOL
 
17.1     De directie stelt voor vergaderingen en activiteiten van de Leerlingenraad faciliteiten ter beschikking. Zie verder de Reglementen van de BOB en de BOL.
17.2     Activiteiten van de Leerlingenraad kunnen met toestemming van de directie tijdens lesuren plaatsvinden.
17.3     Leden van de Leerlingenraad kunnen in overleg met de directie lesuren vrij vragen ten behoeve van werkzaamheden voor de Leerlingenraad.
17.4     Voor de Leerlingenraad , resp. voor de BOB en de BOL, zijn twee aparte reglementen vastgesteld, in overleg met de directie.
17.5     De directie stelt docenten aan als begeleiders van de Leerlingenraad, één voor de BOB en één voor de BOL.
 
 
C 18    Leerlingenregister en privacybescherming
 
18.1     Er is op school een leerlingenregister, waarin persoonsgegevens van leerlingen en hun ouders/verzorgers worden opgenomen. Deze gegevens worden bij de toelating van de leerling op school door de ouders/verzorgers ingevuld op een vragenformulier.
18.2     Het leerlingenregister valt onder de verantwoordelijkheid van de directie.
18.3     Een leerling en zijn ouders hebben de bevoegdheid tot inzage in de gegevens die over de betreffende leerling genoteerd zijn en het recht correcties te doen aanbrengen. Een verzoek hiertoe moet worden gedaan aan de rector; deze beslist over inzage in leerlingengegevens.
18.4     Het wordt de leerling meegedeeld als er over hem opgenomen gegevens worden gevraagd door personen of instanties buiten het onderwijs. De leerling heeft het recht het verstrekken van gegevens aan personen of instanties buiten het onderwijs te verbieden.
18.5     De leerling en zijn ouders zijn verplicht de gegevens te verstrekken die de directie noodzakelijk acht voor een juist functioneren van de schoolorganisatie.
18.6     Voor intern gebruik door docenten en directie is er een onderwijskundig leerlingvolgsysteem, waarin die schoolloopbaangegevens worden vastgelegd die nodig zijn voor een goede begeleiding van de leerling.
18.7     Het leerlingregister is toegankelijk voor:
-  de directie
-  de afdelingsleider
-  de docenten van de betreffende leerling
-  de mentor en de studiebegeleider van de betreffende leerling
-  de schooldecaan
-  de BLB (bijzondere leerling begeleiding)
Verder heeft niemand toegang tot het leerlingenregister, behoudens met uitdrukkelijke toestemming van de directie en de leerling en zijn ouders.
18.8     Nadat de leerling de school heeft verlaten, worden de gegevens over de leerling en zijn ouders/verzorgers vernietigd, behoudens wette­lijke voorschriften.
 
 
C 19    Orde
 
19.1     Leerlingen zijn verplicht zich te houden aan het ordereglement ‘Voor de Goede Orde’, dat aan het begin van elk schooljaar aan alle leerlingen wordt uitgereikt.
19.2     De leerlingenraad  kan aan de directie voorstellen doen tot wijziging van het ordereglement.
De directie reageert binnen 10 schooldagen.
 
 
C 20    Garderobe en kluisjes
 
20.1     Tijdens de lessen worden jassen opgeborgen in de garderobe of in een kluisje. Het is niet toegestaan jassen mee te nemen in de lokalen.
20.2     Aan het begin van het schooljaar stelt de school aan alle leerlingen een kluisje ter beschikking. Naast de jassen kunnen hierin ook andere persoonlijke eigendommen bewaard worden. Zie verder in ‘Voor de Goede Orde’.
20.3     Mocht ondanks zorg van de kant van de school de inhoud van kluisjes beschadigd raken of gestolen worden, is de school daarvoor niet aansprakelijk.
20.4     Kluisjes kunnen door de school geopend worden in situaties waarin dit noodzakelijk geacht wordt – dit ter beoordeling van de directie.
20.5     Het voor aanvang van de les bewegingsonderwijs in bewaring geven van persoonlijke eigendommen aan de docent is voor eigen verantwoordelijkheid van de leerling.
 
 
C 21    Aanwezigheid
 
21.1     Leerlingen zijn verplicht de lessen en de Z-uren volgens het voor hen geldende rooster te volgen, tenzij voor een bepaald vak een andere regeling is getroffen.
 
 
C 22    Afwezigheid / Te laat komen
 
22.1     Afwezigheid van de leerling dient door de ouders dezelfde dag voor 10 uur gemeld te worden.
22.2     De regeling hoe een leerling dient te handelen bij te laat komen en/of na afwezigheid staat vermeld in Contactblad 1, zie bij ‘Bepalingen en Regels’, onder het kopje:
‘Z-urenboekje en Absentiekaart’. Aan het begin van het schooljaar wordt deze regeling door de afdelingsleider  nader toegelicht.
 
 
 
D    Handhaving van de regels /  Straffen
 
 
D 23    Bevoegdheden
 
23.1     De bevoegdheid een straf aan een leerling op te leggen komt alleen toe aan de directie, de afdelingsleider, en aan een docent of diens vervanger.
23.2     Leden van het OOP zijn gerechtigd leerlingen die zich misdragen te berispen, en indien nodig naar de directie of de afdelingsleider te verwijzen.
 
 
D 24    Straffen
 
24.1     Lijfstraffen zijn verboden.
24.2     Bij het opleggen van een straf dient er een redelijke verhouding te zijn tussen de strafmaat en de ernst van de overtreding. Ook dient er - zo mogelijk - een redelijke verhouding te bestaan tussen de aard van de overtreding en de soort straf.
24.3     Het moet duidelijk zijn voor welke overtreding de straf gegeven wordt.
24.4     Bij de praktische uitvoering van de straf wordt met de mogelijkheden van de leerling rekening gehouden. Bij de straf van nablijven moet de leerling in de gelegenheid gesteld worden zijn ouders hierover te informeren.
24.5     Bij schorsing en verwijdering van school geldt de regeling zoals vermeld in het Contactblad van de school.
24.6     Indien een leerling het niet eens is met de hem opgelegde straf, dan kan deze dat via de gebruikelijke weg (zie artikel 25.2 van dit statuut) aan de orde stellen.
De straf wordt daardoor opgeschort.  In acute situaties – ter beoordeling van de directie en/of de betreffende afdelingsleider – kan echter besloten worden de straf  direct op te leggen.
 
 
 
E    Klachtenregeling
 
 
E 25    Klachten t.a.v. de uitvoering van het statuut
 
25.1     Iedereen die een klacht heeft betreffende een onjuiste of onzorgvuldige uitvoering van dit statuut heeft het recht dit via de gebruikelijke weg aan de orde te stellen.
25.2     De gebruikelijke weg is:
    betrokken docent(en) - mentor -  afdelingsleider - rector.
Desgewenst kan ook de Leerlingenraad ingeschakeld worden.
Zie verder art. 26.
 
 
E 26    Algemene klachtenregeling
 
26.1     Voor een leerling die een klacht heeft over gedragingen of beslissingen van medeleerlingen, personeelsleden of bestuursleden van de school, bestaat er een landelijke klachtenregeling. Op grond van die regeling heeft ons bestuur enkele - interne én externe - vertrouwenspersonen benoemd, en zich aangesloten bij de Regionale Klachtencommissie VBKO.
De Klachtenregeling gaat ervan uit dat men zich alléén met een klacht tot de klachtencommissie kan richten, indien men er niet in slaagt de zaak waarop de klacht berust met de betrokkene(n) via de gebruikelijke weg (zie art 25.2) op te lossen, of indien men nergens anders terecht kan.
26.2     Klachten kunnen ook te maken hebben met de volgende aandachtsgebieden: seksueel misbruik, seksuele intimidatie, fysiek geweld en geestelijk geweld, zoals grove pesterijen; tevens in geval van signalen inzake discriminatie, onverdraagzaamheid, fundamentalisme, radicalisering, extremisme, e.d.
Leerlingen of ouders kunnen zich in deze gevallen eventueel wenden tot een van de vertrouwenspersonen of rechtstreeks contact opnemen met de vertrouwensinspecteur. (Zie verder de informatie in de Schoolgids over: ‘Vertrouwenspersonen’ en ‘De Klachtenregeling’.)
 
 
 
F    Veiligheid en gezondheid
 
 
F 27    Veiligheid en gezondheid
 
27.1     Leerlingen zijn verplicht voorzichtig en zorgvuldig te handelen om de veiligheid en gezondheid en het welbevinden van henzelf en van anderen niet nadelig te beïnvloeden.
27.2     Leerlingen dienen op een juiste manier gebruik te maken van machines, toestellen, werktuigen, gereedschappen, gevaarlijke stoffen, transportmiddelen en andere hulpmiddelen.
27.3     Leerlingen dienen ook op juiste wijze gebruik te maken van beschermmiddelen zoals labjas, veiligheidsbril enz.
27.4     Leerlingen mogen beveiligingen op machines enz. niet veranderen of verwijderen.
27.5     Leerlingen die situaties ontdekken die nadelig zijn voor veiligheid, gezondheid of welbevinden, moeten deze melden aan hun docent of aan de afdelingsleider, resp. de directie.
 
 
G    Slotbepalingen
 
 
G 28    Slotbepalingen
 
28.1     Bij meningsverschillen over de interpretatie van het leerlingenstatuut oordeelt de directie.
28.2     In gevallen waarin dit statuut niet voorziet, beslist de directie.
28.3     Eenmaal per drie jaar, of eerder, indien daartoe aanleiding bestaat, wordt de werking van dit leerlingenstatuut besproken in de deelraad MR.
 


 februari 2016